De weerman had het gisteravond goed voorspeld.
Ik kijk uit het raam en zie een prachtige mooie zon die al redelijk ver aan de horizon staat. Een mooie zonnige lentedag belooft het te worden.
De deur van de tuin zet ik gelijk maar open, dan kunnen Bimbo en Bombo lekker naar buiten. Het zijn niet echte buitenkatten, maar als de zon schijnt vinden ze het buitenleven wel aangenaam.


Ik ga eerst even de dingen doen die ik gisteren eigenlijk al had moeten doen, dan kan ik daarna ook de tuin in met een boek dat er nog steeds ongelezen bij ligt.
De katjes zijn met hun tweetjes behoorlijk heftig aan het spelen. Ach die vermaken zich wel, dacht ik bij mijzelf.
Ineens zie ik dat ze met iets geels spelen.

Een tennisbal, schiet het door mij heen. Maar hoe in vredesnaam komen ze aan een tennisbal?
Ik ben niet echt een sportfanaat en van tennissen hou ik al helemaal niet.
Manlief heeft zelfs een hartgrondige hekel aan sporten. De vraag rijst bij mij dan ook: hoe komt er een tennis bal in onze tuin!

Het kan niet anders dan dat kinderen uit de buurt de tennisbal in de tuin hebben gegooid.
Ik maak mij er niet druk om, tenslotte hebben de katjes er een hoop plezier van.
Na een tijdje merk ik dat ze nog niet genoeg van de tennisbal hebben en loop voorzichtig, om ze vooral niet te storen, naar ze toe.

De schrik is groot als ik zie dat de tennisbal beweegt.
Snel jaag ik de katten weg en pak voorzichtig het gele donzige pluizenbeest op.
Het eendenkuikentje voelt zich veilig in mijn handen en steekt voorzichtig zijn of haar koppie in mijn richting.
Zachtjes laat ik mijn vinger over het kuikentje heen gaan als teken van: bij mij ben je veilig!
Ik neem het kuikentje mee naar binnen en sluit de deur, de katten verontwaardigd achterlatend. Het is immers hun speeltje, wat zomaar afgepakt wordt?

"Wat moet ik doen", vraag ik mezelf hardop af.
Een sloot hebben we niet en ander water in de vorm van een vijver is bij ons in de verre omtrek ook niet te vinden.
Hoe komt dit beestje in onze tuin? Hebben de katjes het beestje in hun bekkie genomen en het zo meegenomen als een poezenjong?
Vragen waar ik niet mee verder kom, besluit ik om manlief te bellen die op het lumineuze idee komt om de dierenarts maar te bellen.

Ik leg de man uit wat me is overkomen.
"Heel simpel," zegt hij. "U moet het beestje onder uw hoede nemen en het zelf groot brengen, anders gaat het beestje dood".
Een eendenkuiken en katten, dat gaat natuurlijk niet samen. Toch zal ik wel moeten, uiteindelijk wil ik niet op mijn geweten hebben dat het beestje doodgaat.
Op naar de dierenspeciaalzaak, waar ik mijn verhaal opnieuw doe.

"Ach, het beestje lust vast wel het één of ander aan vogelvoer", zegt de man, "het is tenslotte een vogel".
Maar alles wat wij het beestje ook voorzetten, het weigert te eten.
Van pure ellende geven we het beestje dan maar een beetje zacht kattenvoer. Een schot in de roos.
Vanaf een lepeltje kunnen we het moeiteloos in het snaveltje schuiven, en gretig werkt het gele pluizenbeest het kattenvoer naar binnen.

Het pluizenbeest krijgt een naam en het kan niet anders dan dat het de toepasselijke naam Pluisje krijgt.
Ook moeten we de katjes en Pluis aan elkaar laten wennen.
Heel voorzichtig neem ik Pluis in mijn handen en laat de katjes aan haar/hem ruiken.

Een paar dagen later laat ik Pluis vrijelijk rond lopen, de katjes op een afstandje toekijkend.
Ik verbaas mij erover hoe snel ze aan elkaar gewend raken.

Pluis ziet mij als een moedereend, ondanks het feit dat ik absoluut niet de eerste was waar hij mee in aanraking kwam. Pluis is een woerdje (mannetjeseend) daar waren we inmiddels achter gekomen.
Dit ontkracht het verhaal dat eenden, en ander gevogelte, de eerste waarmee ze geconfronteerd worden zien als de moeder.

Pluis doet niets anders dan, daar waar ik ga gaat Pluis, druk doende met mij in de gaten houden.
Loop ik naar de keuken, Pluis loopt achter mij aan.
Loop ik naar boven en sluit de kamerdeur, Pluis zit voor de deur te wachten tot ik weer terug ben.
Kortom, daar waar ik ga of sta, Pluis loopt mij achterna.

Ik moet even naar de keuken en terwijl ik linksaf sla om de keuken in te lopen, zie ik achteromkijkend dat Pluis zich schrap zet en met zijn pootjes afremt, een stukje door glijd op de gladde houten vloer en vervolgens op zijn achterwerkje terecht komt als in een tekenfilm. Snel krabbelt hij op om zich om te keren en als een speertje verder achter mij aan te lopen. Hij mocht mij eens uit het oog verliezen. Ja, de dames en heren van de tekenfilms hebben de levende dieren goed bestudeerd.

Alle eendjes zwemmen in het water. Pluis niet. Daar moest verandering in komen.
Een grote ronde bak uit de tuin werd in de kamer gezet en deed dienst als vijvertje.
Als loopplankje deed een sigarenplankje dienst.

De bak vol met lekker warm water en Pluis erin gezet. Pluis genoot en wij met hem.
De katjes mochten eerst op afstandje kijken, maar al snel kwamen ze dichterbij om met hun pootjes Pluis heel voorzichtig aan te willen raken.
Een beest dat vrijwillig het water ingaat is voor een poes natuurlijk ook niet te begrijpen.
Vol bewondering kijken we hoe Pluis van zijn sigarenplankje het water in en uitgaat, alsof hij zijn leven niet anders heeft gedaan.

Standaard ritueel liggen de katjes 's avonds op mijn schoot en Pluis ligt prinsheerlijk op mijn schouder in mijn lange haar. Helemaal gewend aan elkaar.
Het eten gaat goed. In plaats van twee poezenbakjes staan er nu drie. Pluis laat het zich heerlijk smaken en zit tussen de katjes zijn bakje kattenvoer leeg te eten, alsof hij een katje is. We laten hem maar in die waan.

Pluis spreid zijn vleugels. "Oh jee, zo dadelijk gaat hij vliegen. Daar is ons binnenvertrekje niet op berekend."
Manlief is zo lief om een buitenren te maken voor ons gevederde "katje".

Steeds vaker slaat Pluis zijn vleugels uit, maar is volgens de dierenarts nog te klein om te worden uitgezet in het hertenkamp.
Af en toe mogen de katjes onder toezicht even bij Pluis op bezoek in de ren.
Ze maken er een gezellig momentje van.

Een paar weken later laat Pluis zien dat het nu echt tijd wordt om uit te vliegen.
In overleg met de dierenarts gaan we Pluis vrijlaten.

De katjes nemen afscheid en zien hun vriendje in de doos verdwijnen.
Een grote doos met kijk en luchtgaten. Nog even gaat er een pootje door het kijkgat. Best eng wat er allemaal gebeurt.
Maar onze Pluis laat het gelaten over zich heen komen.
Er is niets zo eng als twee katten denken dat je misschien wel een lekker hapklaar brokje kattenvoer bent. Ja, dan doorsta je dit ook wel.

Het hertenkamp is vol van vogels, eenden, allerlei ander dierlijk spul, en uiteraard herten. Het heet niet voor niets hertenkamp.
Deksel open. Daar gaat Pluis.

De andere eenden vinden het zeker niet pluis en gaan achter de vreemde eend in de bijt aan. Pluis vecht als een sterke woerd terug en verovert al snel een plaatsje in de gevederde vriendenclub.

Pluis heeft zich wel terdege bewezen.

Pluis is helemaal pluis.

 

Wim's Profielfoto
Wim antwoordde #1435 08 aug 2012 07:37
"Dit ontkracht het verhaal dat eenden, en ander gevogelte, de eerste waarmee ze geconfronteerd worden zien als de moeder."
Het "verhaal" waarop u doelt is de conclusie van een uitgebreide, wetenschappelijke studie waarvoor de onderzoeker, Konrad Lorenz, de Nobelprijs ontving.
Ik vind het nogal aanmatigend om te stellen dat u met één waarneming dit "verhaal" ontkracht.

Discuss dit artikel

INFO: Je bericht wordt geplaatst als 'Gast'